Opschepperij aan tafel: epigram 8.6

Zelfgenoegzaam Illustraties en vectorbeelden - iStock

In de epigrammen van Martialis passeren met de regelmaat van de klok windbuilen. Euctus uit epigram 8.6 laat zijn tafel met de kostbaarste spullen dekken. Aan elk stuk antiek hangt een buitengewoon verhaal vast, maar terwijl Euctus met veel aplomb die verhalen vertelt, blijkt dat meer dan eens de mythologische bal misslaat.


Epigram 8.6

Wanneer Euctus begint over zijn zilveren antiek,
– voor mij hoeven bekers niet duur te zijn of chic –
boomt hij eindeloos over hun herkomst door
als een irritante, ouwe kletsmajoor!
Een slok van de wijn is ons niet gegund.
Straks is ie al over z’n hoogtepunt.
“Deze bekers hebben nog op de tafel van Laomedon gestaan
en hebben als betaalmiddel voor Apollo dienst gedaan.
Troje’s muren wilde hij niet zomaar bouwen
en dus heeft hij de zilveren bekers voor zichzelf gehouwen. (1)
Het gevecht tussen centauren en Lapithen is met dít mengvat begonnen,
toen Rhoetus het naar Theseus gooide, door de drank overwonnen! (2)
Nog steeds kan je de deuk in het smeedwerk zien.
En hebben jullie déze twee bekers al gezien?
Een leven lang zijn ze eigendom van Nestor geweest.
De duim van de Pyliër zie je hier nog het meest:
De duif aan het handvat blinkt door het wrijven.
Ook deze schat mag niet onbesproken blijven:
de drinkschaal van Dido’s heildronk voor Bitias,
toen het gastmaal voor de Trojaanse strijder bezig was.” (3)
Het zilverwerk bewonderen is een noodzakelijke daad,
want het is het enige van waarde dat op de tafel staat!

Noten bij de tekst:

(1) Apollo en Poseidon werden door Laomedon ingehuurd om de muren te bouwen. Ze hadden geen beloning in de vorm van kostbare bekers op het oog.
(2) Opnieuw begaat hij hier een fout: het startschot voor het gevecht werd gegeven door Theseus die een antieken mengvat gooit. Om Euctus’ vergissing duidelijker in de verf te zetten heb ik in mijn vertaling “naar Theseus” toegevoegd.
(3) Opnieuw een fout: de scène is een allusie op de maaltijd die plaatsgrijpt op het einde van het eerste boek van de Aeneis: Dido wil een toost uitbrengen op de gastvriendschap tussen haar volk en de Trojanen. Ze geeft de beker door, startend bij Bitias. De toost is echter niet voor hem bedoeld, zoals Euctus het hier foutief interpreteert.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *